Resultaten TALIS 2018

Aan TALIS 2018 hebben ruim 250.000 leraren en 15.000 schoolleiders deelgenomen uit 48 landen. In Nederland hebben ruim 2.500 leraren en bijna 180 schoolleiders van ruim 160 scholen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs deelgenomen, in het primair onderwijs hebben ruim 2.000 leraren en bijna 180 schoolleiders van bijna 180 scholen deelgenomen. Mede dankzij de medewerking van veel middelbare scholen, de VO-raad, de Onderwijscoöperatie en de onderwijsbonden is er in de onderbouw van het voortgezet onderwijs in Nederland een respons bereikt van 78 procent, waarmee de responsvereiste van 75 procent is behaald. Ondanks de inzet van veel basisscholen, de PO-raad, en de onderwijsbonden, is in het primair onderwijs met een respons van 66 procent helaas niet voldaan aan de responsvereiste. Deels is dit te verklaren door de periode waarin het veldwerk plaatsvond, waarin het basisonderwijs met tekorten en stakingen kampte en het deelnemen aan onderzoek niet bovenaan de prioriteitenlijst stond. Daarmee worden de Nederlandse resultaten van het primair onderwijs niet meegenomen in de internationale analyses van de OESO maar zijn ze wel opgenomen in de tabellenbijlage bij het OESO-rapport. Verder heeft het Nederlandse TALIS-team twee nationale rapporten samengesteld op basis van zowel de resultaten van de onderbouw van het voortgezet onderwijs als van het primair onderwijs in Nederland. De belangrijkste internationale en nationale resultaten van TALIS 2018 staan hieronder, apart weergegeven voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs en het primair onderwijs.

 

TALIS 2018 in de onderbouw van het voortgezet onderwijs

De belangrijkste bevindingen uit TALIS 2018 voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs zijn:

  • 81 procent van de leraren in Nederland geeft aan de mogelijkheid te hebben om deel te nemen aan de besluitvorming omtrent hun school. Dit is vergelijkbaar met het internationale gemiddelde van 77 procent;
  • Bijna één op de zes leraren in Nederland geeft aan minstens één keer per maand deel te nemen aan gezamenlijke professionele leeractiviteiten. Internationaal gezien geeft één op de vijf leraren aan met dezelfde frequentie deel te nemen aan zulke activiteiten;
  • Ongeveer één op de drie leraren in Nederland geeft aan nogal tot veel stress te ervaren op hun werk. Dit is lager dan het OESO gemiddelde waar bijna de helft van de leraren aangeeft nogal tot veel stress te ervaren. Zowel leraren in Nederland als in de OESO landen geven aan dat te veel administratieve werkzaamheden de grootste bron van stress vormen;
  • In Nederland zijn schoolleiders naar verhouding vaker tevreden met hun salaris dan leraren. Bijna 80 procent van de schoolleiders geeft aan tevreden te zijn met hun salaris in vergelijking met bijna 60 procent van de leraren. Het OESO gemiddelde van zowel schoolleiders als leraren ligt aanzienlijk lager met respectievelijk 47 procent en 39 procent;
  • Ongeveer één op de acht leraren jonger dan 35 jaar in Nederland heeft de wens om binnen 5 jaar het onderwijs te verlaten. In internationaal perspectief geven leraren vaker aan deze wens te hebben met één op de zes leraren;
  • Leraren in Nederland blijken op een aantal onderdelen in wisselende frequentie met elkaar samen te werken. Zo geeft één op de zes leraren in Nederland aan minstens één keer per maand gezamenlijk les te geven, 44% van de leraren in Nederland ontwikkelt en wisselt onderling minstens één keer per maand lesmateriaal uit, en 40 procent bespreekt minstens één keer per maand de voortgang van leerlingen;
  • Leraren in Nederland geven – vergeleken met leraren in de OESO landen – ongeveer even vaak aan dat ze het (zeer) eens zijn met de uitspraak dat zij het landelijk onderwijsbeleid kunnen beïnvloeden (26 procent vergeleken met 24 procent);
  • Een meerderheid van de leraren in Nederland (70 procent) geeft aan dat de feedback die zij hebben ontvangen over hun lespraktijk heeft geleid tot een positieve verandering op hun lesgeven. Leraren in de OESO landen geven dit net iets vaker aan met 71 procent;
  • 65 procent van de leraren in Nederland is het (zeer) eens met de uitspraak dat stafleden op hun school dezelfde set aan overtuigingen over het lesgeven en het leren delen. In internationaal perspectief geldt dat 76 procent van de leraren het daarmee (zeer) eens is;
  • De hoeveelheid schoolleiders in Nederland die aangeven dat de leraren op hun school de doelen van het lesplan begrijpen, dat ze de doelen van het lesplan implementeren en dat ze hoge verwachtingen hebben van hun leerlingen wisselt enigszins. Zo geeft respectievelijk 76 procent, 66 procent en 53 procent van de schoolleiders dit aan;
  • Leraren in Nederland ervaren een grote mate van autonomie. Zo geeft 95 procent aan dat zij het (zeer) eens zijn dat zij zeggenschap hebben over de inhoud van de lessen en de selectie van lesmethodes. In de OESO landen geeft respectievelijk 84 procent en 96 procent van de leraren dit aan.

 

TALIS 2018 in het basisonderwijs

Tijdens TALIS 2018 deden er vijftien landen mee aan de module voor het basisonderwijs. Nederland heeft met deze cyclus van het TALIS onderzoek ook deelgenomen aan de module voor het basisonderwijs. De belangrijkste bevindingen van TALIS 2018 voor het basisonderwijs in Nederland zijn:

  • Bijna alle leraren (96 procent) geven aan de mogelijkheid te hebben om deel te nemen aan de besluitvorming omtrent de school;
  • Ruim een zesde van de leraren geeft aan minstens één keer per maand deel te nemen aan gezamenlijke professionele leeractiviteiten;
  • 37 procent van de leraren geeft aan nogal tot veel stress te ervaren op hun werk, waarbij, net zoals in de onderbouw van het voortgezet onderwijs, te veel administratieve werkzaamheden de voornaamste bron van stress vormen (75 procent van de leraren geeft dit aan, gevolgd door de verantwoordelijkheid voor de prestaties van leerlingen met 58 procent);
  • Ook in het basisonderwijs zijn schoolleiders vaker tevreden met hun salaris vergeleken met leraren. 41 procent van de schoolleiders geeft dit aan in vergelijking met 25 procent van de leraren;
  • Bijna één op de vijf leraren jonger dan 35 jaar heeft de wens om binnen 5 jaar uit het onderwijs te vertrekken;
  • Slechts 7 procent van de leraren geeft aan minstens één keer per maand gezamenlijk les te geven. Wel wordt er vaker lesmateriaal ontwikkeld of onderling uitgewisseld, de helft van de leraren geeft aan dit minstens één keer per maand te doen. Verder geeft bijna de helft van de leraren aan één keer per maand de voortgang van leerlingen te bespreken;
  • Bijna één op de drie leraren is het (zeer) eens dat zij het landelijk onderwijsbeleid kunnen beïnvloeden;
  • 83 procent van de leraren geeft aan dat de ontvangen feedback op hun lespraktijk heeft geleid tot een positieve verandering op hun lesgeven;
  • Een ruime meerderheid van de leraren (86 procent) geeft aan het (zeer) eens te zijn met de uitspraak dat stafleden op hun school dezelfde set aan overtuigingen over het lesgeven en leren delen;
  • 89 procent van de schoolleiders geeft aan dat de leraren op hun school de doelen van het lesplan begrijpen en deze implementeren. 81 procent van de schoolleiders geeft aan dat de leraren op hun school hoge verwachtingen hebben van hun leerlingen;
  • Ook leraren in het basisonderwijs ervaren een grote mate van autonomie. Zo geven bijna negen op de tien leraren aan dat ze het (zeer) eens zijn met de uitspraak dat zij zeggenschap hebben over de inhoud van de lessen en driekwart met de uitspraak dat zij zeggenschap hebben over de selectie van lesmethodes.

 

TALIS 2018 rapporten

 

TALIS 2018 overige publicaties